“Kijk!” Ze hangt over haar stuur en wijst naar een weilandje rechts van het fietspad. Er staan drie koeien. “Koeien!” roept ze. Ik kijk naar de herkauwende beesten en dan naar mijn razend enthousiaste fietsmaatje (met wie ik een behoorlijke fietstocht aan het maken ben). Oké, het zijn inderdaad koeien, daar heeft ze absoluut gelijk in, maar ik snap haar opwinding niet zo goed. “Boeh! Boeh!” roept ze naar de beesten. “Boeeeeeeeh!” De koeien kijken niet op of om. Als we er voorbij zijn zakt ze weer op haar zadel neer en peddelt rustig verder. “Zullen we zo een koffiepauze houden?” vraagt ze, alsof ze daarnet niet als een idioot stond te loeien naar drie boerderijdieren.

Niet iedereen komt van het platteland, dat weet ik heus. Ik wel. Ik ben opgegroeid met het geloei van de tientallen koeien in de weilanden vlak achter mijn ouderlijk huis. Ik ben de allesdoordringende meststank tijdens het mestseizoen gewend. En het polderfietsen naar school met permanente tegenwind (heen én terug) is voor mij niet meer dan gewoon.
En ook al woon ik nu al zes jaar lang in de stad, soms kan er nog wat van het oude dorpsgedrag zomaar naar boven borrelen. Ik kan op een zaterdagavond bijvoorbeeld overvallen worden door een gevoel van pure paniek, omdat ik me dan plots bedenk dat ik niet genoeg eten in huis heb voor de zondag. Dan vergeet ik dat de supermarkt in de stad gewoon altijd open is. Ik steek soms ook als een kip zonder kop de straat over, zonder ook maar één blik te werpen op het stoplicht. Want stoplichten, daar hebben we er maar twee van in mijn ouderlijk dorp en niemand kijkt ernaar. Trams zie of hoor ik al helemaal nooit aankomen, dus ik schrik me telkens het apelazerus als ik weer eens bijna word aangereden. En vrienden die wél in de stad zijn opgegroeid zien mij klungelen op zulke momenten. Ze zuchten dan eens diep, rollen met hun ogen en kijken verontschuldigend om zich heen alsof ze willen zeggen:
“Let maar niet op haar. Ze komt van het platteland.”
Maar het geldt dus ook andersom. Dat heb ik me eigenlijk nooit zo gerealiseerd. Ik mag me dan soms een enorme debiel voelen in de grote, boze stad, maar stadsmensen reageren ook heel bijzonder als ze zich op het platteland bevinden. De vriendin met wie ik deze fietstocht onderneem is een stadsmens in hart en nieren. En ja, voor haar zijn koeien een geweldige bezienswaardigheid. En daar blijft het niet bij. Bij elk dier dat we tegenkomen begint ze steevast het bijbehorende geluid te maken. Bij elk schaap roept ze:
“Meh! Meh!”, bij elke hond roept ze:
“Waf! Waf!” En gedurende de rest van de tocht hinnikt, miauwt en knort ze ook nog. Wanneer we langs een statige reiger fietsen valt ze stil. Ze weet niet niet goed welk geluid een reiger maakt, dus zwaait ze naar hem en roept ze maar:
“Hallo!”
En ik? Ik reageer net zoals mijn stadse vrienden. Telkens als ze weer ergens naar wijst en begint te loeien of te mekkeren, rol ik met mijn ogen en schud mijn hoofd op een ‘och, och, jij bent ook niks gewend’- manier. Ik kijk zoekend rond naar iemand die ik verontschuldigend kan aankijken en tegen wie ik kan zeggen:
“Let maar niet op haar. Ze komt uit de stad.” Want dit is het platteland: mijn thuis, mijn terrein, mijn comfort zone, mijn...
Plotseling vliegt er een gigantische libelle voor mijn neus langs en hysterisch gillend spring ik van mijn fiets. Mijn vriendin komt niet meer bij.
“Ik dacht dat jij gewend was aan de beesten van het platteland?” lacht ze. Ik kan alleen maar angstig kijken.
Ben jij een echt stadsmens? Of kom je ook van het platteland?