Column: een bejaarde die Netflix kijkt

Scholenbezoeken zijn het eigenaardigste bijproduct van het schrijver zijn. Toen ik voor het eerst een kinderboek publiceerde, had ik niet bedacht dat daar ook bij hoorde dat je van Klazienaveen tot Kudelstaart (nee, ik zeg niet waar dat ligt, googlemap dat zelf maar even) reist om kinderen te vertellen over het vak van schrijver zijn. Niet alle schrijvers gaan op pad, overigens. Sommigen willen het niet, iets met spreken in het openbaar en gêne en anderen willen het wel, maar worden niet uitgenodigd. Niet omdat ze niet goed zijn, maar omdat hun boeken of zijzelf misschien net even niet om uiteenlopende redenen ‘in the picture’ zijn, om het in goed Nederlands te zeggen.

Het vak
Maar wát zeg je de kinderen over het vak? Wat vertel je op scholen? Wie ben ik om iets noemenswaardigs over schrijven te vertellen? Moet ik soms vertellen dat ik uren uit het raam kijk en het dan vaak nog niet weet? Dat ik tijdens het schrijven slinger tussen wanhoop en euforie? Dat ik opeens ’s nachts wakker word en dan aan mijn hoofdpersonen lig te denken en te denken en te denken? Dat ik, als ik eenmaal bezig ben, wel energie heb om te schrijven, maar niet om boodschappen te doen of de badkamer schoon te maken? Ehm, ja. Dat dus. Ik vertel het maar zoals het is. ‘Wie is er hier dromerig? Nogal snel afgeleid?’ vraag ik meestal als eerste. Bijna alle vingers gaan omhoog. ‘Uitstekende eigenschappen,’ zeg ik dan en knik goedkeurend terwijl de klas begint te loeien en het gezicht van de leerkracht betrekt.

Vragen
Houd een verhaal voor volwassenen, en je weet ongeveer wat je kunt verwachten. Maar stap een klas binnen en spreek een uur voor tientallen scholieren en je wordt elke keer verrast. Niemand stelt vragen zoals kinderen dat kunnen: ‘hebben jouw kinderen veel fantasie?’, ‘mag ik jouw haar aanraken?’, ‘wat is jouw favoriete snoepboek?’, ‘ben je wel eens bang dat je alles vergeet?’, ‘waarom heb je heksenschoenen aan?’, ‘zijn jouw hersenen de baas over jou?’

In de bieb
Ook dit bezoek, dit keer aan een bibliotheek waar klassen van verschillende scholen naar mij toekomen, is niet anders. Als ik uitstap op het station van Castricum, kijk ik tegen de duinrand. Daar ligt de zee achter, ruik maar, voel de wind maar. Maar ik draai me om en schud de hand van Vrijwilliger 1, die me afhaalt. ‘Mevrouw van Oordt?’ ‘Ehm, Wieke.’ In de bibliotheek wordt verbouwd, ik slalom tussen steigers, gettoblasters, verflucht en mannen in overalls. ‘Dat zal wel storen, ben ik bang,’ zegt de bibliothecaris. ‘Ach,’ zeg ik. Urenlang schuiven tientallen kinderen aan, elk uur met nieuwe leerkrachten en een nieuwe Vrijwilliger. ‘Ik breng ze van de deur naar binnen, neem jij maar lekker koffie,’ zegt Vrijwilliger 2. Ik vertel, lees voor, speel de Verhalen DJ met ze, en lach met ze. ‘Er zaten twee ADHD-ers bij,’ zegt een leerkracht achteraf na een van de lezingen. ‘Joh,’ zeg ik. In de pauze ga ik vragen aan een van de overalls welk liedje er nu opstaat. Zo lekker. ‘Take off your clothes,’ zegt hij.

Netflix
Na de pauze wacht er nog een uur met de kinderen. ‘Lezen, dat is gratis Netflix in je hoofd,’ zeg ik. Op de tweede rij draait een jongen zich naar een vriendje, wijst op mij en roept: ‘hoe weet zíj nou dat Netflix bestaat!’ ’s Middags brengt Vrijwilliger 3 mij terug naar het station. Ik kijk naar de duinen en stap in de trein. Of het schrijversleven romantisch is? Ja.

GERELATEERDE ARTIKELEN

Aanbevolen voor jou

Aanbevolen voor jou:

Zoek in artikelen